Notice: Constant WP_DEBUG already defined in /www/wp-config.php on line 93 Legal Fashion – Nota Bene
Legal Fashion

Legal Fashion

Een gebied dat in de juridische wereld aan steeds meer terrein wint is dat van legal fashion. De zoekresultaten van de term legal fashion hebben voornamelijk van doen met copyrights, trademarks, contracten en intellectueel eigendom: een commercieel rechtsgebied waarin de relatie tussen merk en consument centraal staat. Namen, kleuren, strepen, stippen en ideeën worden in juridische format gegoten en rechtszaken – waarin merken als Tiffany & Co, Chanel, Nike en Zara de dienst uitmaken – spelen zich voortdurend af. De modewereld is de meest arbeidsintensieve industrie op de wereld. 1 op de 6 mensen werkt in een aan mode gerelateerde keten. Legal fashion bestrijkt op dit moment voornamelijk procedures met betrekking tot merknamen en consumententevredenheid – hoogste tijd om deze term te herdefiniëren! Niet alleen de commerciële rechten van een H&M zouden binnen de reikwijdte van deze term moeten vallen, maar ook (lees: vooral) de mensenrechten van de fabrikanten, arbeiders en vervoerders. Waar komen de kledingstukken vandaan?  Wie maakt ze en hoe zijn ze zo goedkoop? Neem een kijkje achter de schermen, in de landen waar deze kleding geproduceerd wordt: landen waar ecosystemen worden vernietigd en mensenrechten systematisch worden genegeerd zonder dat iemand daar aansprakelijk voor lijkt te zijn. 

Fast fashion

Fast Fashion: noun: ‘Inexpensive clothing produced rapidly by mass-market retailers in response to the latest trends.’

Toen in 1846 de naaimachine werd uitgevonden, werd de productie van kleding vergemakkelijkt. De groeiende welvaart in de jaren na de Tweede Wereldoorlog droeg bij aan een wereld waarin kleding toegankelijker werd voor de middenklasse. Het besteedbaar inkomen steeg, verdienmodellen werden aangepast en in 1984 werd in Nederland de Wet op de Maximering van de Uitverkoop (tweemaal per jaar) ingetrokken. Vanaf dat moment mochten winkeliers zelf bepalen wanneer en hoe vaak zij uitverkoop houden. Met de jaren zijn het aantal uitverkopen drastisch toegenomen en zijn de productieactiviteiten massaal verplaatst naar lagelonenlanden.

Een combinatie van consumentisme en economische motieven leidden in korte tijd tot het fenomeen en businessmodel fast fashion, waarbij kleding van luxeproduct tot wegwerpproduct werd omgedoopt: we kopen ieder jaar zo’n twintig tot veertig nieuwe kledingstukken en gooien er weer net zoveel weg. Fast fashion is een systeem waarin de productie van kleding in een zo hoog mogelijke omloopsnelheid de dans leidt. Om het koopgedrag van de consument bij te houden en het tegelijkertijd te stimuleren, moeten grote kledingbedrijven zo veel mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk produceren. De kostprijs wordt gedrukt, de gebruiksduur van kledingstukken verkort en productie verhoogd. Kleding wordt door landen in het westen nauwelijks meer zelf geproduceerd en is op grote schaal een im- en exportproduct geworden. Er zitten dan ook twee kanten aan het prijskaartje: één waarop “T-Shirt, SALE – €6” staat, en één waarop beschadigde ecosystemen en mensenlevens van fabrieksmedewerkers worden verdoezeld.

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

Van zaadje tot pesticide, van pesticide tot zelfmoord

Om aan de massale vraag naar katoen te voldoen is de landbouw geïntensiveerd. Meer dan 2,5% van de landoppervlakte van de aarde wordt gebruikt voor de teelt van katoen.  De vraag naar katoen kan niet wachten op moeder natuur en de natuurlijke manier moest dan ook op de schop. Er wordt door grote kledingbedrijven geïnvesteerd in gemodificeerde zaden, die aan Indiase boeren tegen hoge prijzen verkocht worden om zo hun oogst te laten maximaliseren. De natuur is niet gemaakt voor consumentisme en deze manier van landbouw leidt tot ziektes in de katoenplanten. De westerse bedrijven zijn weer aan zet: de verkoop van pesticiden aan lokale boeren moet de katoenpest beperken. 22,5% van het totale insecticide gebruik en 10% van de pesticiden komt terecht op landoppervlakte gebruikt voor katoen. Pesticiden werken zo, dat hoe meer je ze gebruikt, hoe meer je ze nodig hebt. De schadelijke impact van deze aanpak beperkt zich niet tot de natuur: Indiase boeren, hun families en dorpen worden even hard geraakt. Pesticidengebruik zorgt voor onder andere kanker, geboortedefecten, mentale ziektes en fysieke handicaps. Dezelfde bedrijven die de zaden ontwikkelen, maken de pesticides en medicijnen waarop ze hun patenten claimen. Hoe meer zaden, hoe meer pesticiden, hoe meer winst. Boeren komen bovendien in een onafwendbaar cyclus van schulden terecht. Indiase boeren kennen de grootste golf aan zelfmoorden in geschiedenis: gemiddeld elke 30 minuten 1 boer.

Het verhaal achter je T-Shirt

Toen in 2013 de Ranaplaza instortte – een kledingfabriek in Bangladesh – waardoor 1134 mensen om het leven zijn gekomen, werden de onmenselijke arbeidsomstandigheden van de naaisters van onze shirts breed uitgemeten in de media. Fabrieksinstortingen, branden en explosies zijn echter geen nieuws in landen waar kleding geproduceerd wordt. Het is het gevolg van systematische druk die grote merken als H&M, Primark en Mango zetten op overheden en fabriekseigenaren om de productie te verhogen en de prijs te drukken. Er is sprake van structurele uitbuiting van werknemers; er wordt nauwelijks rekening gehouden met de veiligheid en gezondheid van deze mensen en de werkplaats wordt slecht onderhouden. Dergelijke incidenten spelen zich voortdurend af zodat wij een goedkope broek kunnen scoren.

We staan steeds verder verwijderd van de mensen die onze kleding maken. Zo’n 97% van de kledingitems die we kopen wordt in het buitenland wordt gemaakt. De fabriekswerkers behoren tot de laagstbetaalde arbeiders ter wereld en ongeveer 85% van alle kledingarbeiders is vrouw. De grenzeloze groei van kapitaal speelt ook de natuur parten. De modeindustrie produceert 20% van het wereldwijde afvalwater en 10% van de wereldwijde CO2-uitstoot – meer dan alle internationale vluchten en zeevaart bij elkaar. Het verven van textiel is wereldwijd de op één na grootste vervuiler van water en er is ongeveer 2000 liter water nodig om een spijkerbroek te maken. 

Hoe is het zo ver gekomen?

De grootste modebedrijven schrijven hun eigen wetboek, één waarin het milieu en mensenrechten geen plaats hebben. Zij profiteren optimaal van de enorme snelheid waarin de kledingindustrie groeit. Tevergeefs kan de internationale wetgever deze snelheid niet bijhouden, waardoor modebedrijven niet juridisch verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de schade die zij veroorzaken. 

Verder hebben overheden van lagelonenlanden de werkgelegenheid en export dusdanig hard nodig, dat ze bereid zijn het landelijk minimumloon te verlagen. Bedrijven kunnen dan gerust de vinger wijzen naar de regeringen van deze landen: zij betalen immers ‘gewoon het minimumloon’. Van een groot deel van de landbouw zijn de kledinggiganten door oplopende schulden en faillissementen van lokale boeren nu zelf eigenaar waardoor ze het land kunnen verdrinken in zoveel pesticiden als ze wensen.Bovendien zijn de bedrijven niet officieel de eigenaren van de fabrieken – en daarmee niet officieel de werkgevers van deze arbeiders – waardoor ze enorm winstgevend kunnen zijn zonder dat zij aansprakelijkheid kunnen worden gehouden voor de instortingen, zelfmoorden, biologische schade en armoede die de productie teweegbrengt. Het is dus geen kwestie van inefficiënte wetgeving, maar van géén wetgeving.

Wat nu?

In de Verenigde Staten is in 2006 een wetsvoorstel gedaan, de Decent Working Conditions and Fair Competitions Act: ‘(…) The bill is simple. It bars the importation or the sale of goods made with sweatshop labor. In other words, if a product is made in a Chinese sweatshop, if a product is made by child labor or slave labor or prison labor, you can’t import it into the United States, you can’t sell it into the United States. (…)’

Tevergeefs, deze wet kwam er niet doorheen bij the committee. Er zijn ook andere initiatieven genomen om de kledingindustrie de juiste richting in te duwen: de opkomst van slow fashion, het gebruik van minder vervuilende materialen, eerlijke samenwerkingsverbanden met lokale kledingfabrieken en hier en daar een toezichthoudend orgaan dat fabrieken in de gaten houdt. Een duwtje in de rug is echter niet genoeg. 

Allereerst: de misstanden moeten op grotere schaal worden aangepakt. De situatie waarin de kledingindustrie zich bevindt moet 180 graden omdraaien en daarvoor is vooreerst harde, internationale wetgeving nodig. Om enerzijds economische belangen van kledingproducenten te waarborgen en anderzijds een juridisch kader te vormen waarbinnen de uitwassen van de kledingindustrie ethisch recht kunnen worden getrokken, moeten alle pijlen gericht zijn op wetgeving waarin concurrentie centraal staat. Verbied zogeheten sweatshops in lagelonenlanden en stel minimumeisen vast voor voor de kwaliteit van het productieproces van kleding. De kostprijs zal hierdoor uiteraard stijgen, maar voor de gehele kledingindustrie, waardoor oneerlijke mededinging wordt beperkt. Consumenten zullen simpelweg een hogere prijs voor (katoenen) producten betalen en de omloopsnelheid van de productiecyclus zal vertragen. Niet alleen onafhankelijke toezichthouders moeten erop letten dat verdragen worden nageleefd, ook de grote spelers zelf moeten elkaar verantwoordelijk houden. Op die manier ontstaat er een organische economische drijfveer binnen de kledingindustrie die oneerlijke concurrentie tegengaat.

Ten tweede bestaat er momenteel nauwelijks regelgeving omtrent de herkomst van een kledingstuk en ook dat moet veranderen. ‘Made in Bangladesh’ en een prijs van een tientje doet nu misschien een alarmbelletje rinkelen, maar dat is bij lange na niet voldoende. Start met wetgeving waarin transparantie centraal staat en keurmerken de norm worden. Net als bij bio-appels, scharreleieren en fair trade chocolade moet de consument in één oogopslag de achtergrond van een kledingstuk kunnen identificeren.

Ten derde moet de kledingindustrie sterker geassocieerd gaan worden met klimaatverandering. Zij staat immers op nummer twee van het lijstje meest vervuilende industrieën ter wereld (na olie). Om de klimaatdoelen van Parijs te halen zouden we er goed aan doen fast fashion mee te nemen in de wetgeving om deze doelen te halen. Denk aan een minimum aantal weken durende supply chain. De gemiddelde doorlooptijd van een conventionele supply chain is rond de zes tot negen maanden, van ontwerp tot winkel. In de fast fashion is dit zes tot acht weken. 

Als laatste: misstanden in de kledingindustrie zijn en worden gevoed door consumentisme. Een psychologisch spel waarin méér centraal staat. De individu kan in plaats daarvan worden gestimuleerd om juist minder te kopen, minder te wassen en minder weg te gooien. Stel jezelf kritische vragen, verdiep je in de circulaire economie, koop duurzaam, koop tweedehands, verleng de levensduur van je kleding en recycle. Om fast fashion naar slow fashion te krijgen moeten we eerst naar onszelf kijken. Gebruik de spiegel voortaan dáárvoor, en niet alleen om je nieuwe Zara jeans te passen.