Notice: Constant WP_DEBUG already defined in /www/wp-config.php on line 93 Koloniale Roofkunst – Nota Bene
Koloniale Roofkunst
Het ‘verdomhoekje’ in de kelder, met onder meer het beeld van de luipaardman. Afrika Museum.

Koloniale Roofkunst

Wat je vindt mag je houden

We komen terughalen wat van ons is gestolen’, zegt activist Mwazulu Diyabanza op een filmpje gemaakt in het Afrikamuseum, waarin te zien is hoe hij met vijf andere activisten een Congolees beeldje uit het museum in zijn armen meeneemt. De roof in koloniale tijden heeft volgens hen de Afrikanen ‘hun cultuur en waardigheid’ ontnomen. Het beeldje is inmiddels terug in het museum en de groep activisten, die zichzelf Unité Dignité Courage noemt, zal terecht staan in Parijs. Het incident doet maatschappelijke discussie over teruggave van koloniale kunst oplaaien. Je krijgt er een soort Robin Hood gevoel van. Stelen uit een museum is uiteraard een strafbaar feit, maar in hoeverre is ‘terug stelen’ dat ook?

Onlangs vulden verschillende Nederlandse musea een enquête in van de Museumvereniging. Uit de enquête blijkt dat 21 van deze musea, waaronder het Rijksmuseum, weten dat ze koloniale cultuurgoederen beheren zonder instemming van de voormalige eigenaar te hebben verworven. Het gaat om honderdduizenden gestolen kunstobjecten. De verzamelnaam voor gestolen kunst is roofkunst. Roofkunst is in juridische termen een cultuurgoed dat iemand zich onder oorlogsomstandigheden wederrechtelijk (in strijd met art. 56 van de Vredesconferentie van Den Haag) toe-eigent. Opvallend aan deze definitie is de zinsnede onder oorlogsomstandigheden. Roofkunst gaat dus over oorlog, maar wat zich afgelopen maand voor heeft gedaan gaat over onvrijwillig bezitsverlies door koloniale verhoudingen.

In geval van koloniale roofkunst is heel moeilijk vast te stellen wat de legitieme herkomst van een object is. Er is weinig documentatie en herkomstonderzoek is meestal niet mogelijk. Als die documentatie er wel is, staan in de archieven transacties uit die tijd vaak genoteerd als ‘koop’, maar onbekend blijft welke waarborgen daarbij in acht zijn genomen. Bovendien blijkt dat de bewoners van Afrikaanse havendorpen soms zelfs zelf handelden in de beelden. Als ze wisten dat er Europeanen zouden komen, maakten ze beelden en verkochten die. Een win-winsituatie. Op papier is dit moeilijk te onderscheiden van de situatie waarin Belgen in witte jassen een Congolees dorp beroofden van hun kunstwerken. Ze zullen in de archieven beide te vinden zijn onder ‘koop’.

Achtergrond

Tijdens de eerste Vredesconferentie in Den Haag in 1899 werden algemene afspraken gemaakt met betrekking tot oorlogsvoering. De afspraken rondom kunst werden kort en bondig in artikel 56 vastgelegd. De Heilige Stoel was niet uitgenodigd voor de conferentie, maar koningin Wilhelmina heeft de paus een brief geschreven om hem te vragen voor de conferentie te bidden. Dat zou hij doen. Het gebed van de paus strekte waarschijnlijk niet zover als het Afrikaanse continent; door de kolonisators werd in de jaren daarna flink wat kunst wederrechtelijk toegeëigend. Kunst die tot op de dag van vandaag over de hele wereld in musea te zien is.

De afspraken van 1899 werden duidelijk niet geschreven met het oog op kunstroof in koloniën en bleken ook tijdens de Eerste Wereldoorlog weinig effect te hebben. Latere wetgeving rondom gestolen kunst is eveneens grotendeels gericht op de situatie in oorlogstijd. Zo trad de Haagse conventie voor de bescherming van cultuurgoederen bij gewapende conflicten in 1956 in werking. Deze had met name betrekking op de kunstroof die plaats had gevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Pas in 1995 werd middels de Unidroit-conventie van de VN op internationaal niveau erkenning gegeven aan het verschil tussen roofkunst in tijden van oorlog en daarbuiten. Het Unidroit-verdrag regelt dat de illegale handel in kunstvoorwerpen wordt tegengegaan door de koper te verplichten de legitieme herkomst van de aankoop te bewijzen. Het klinkt als een oplossing, maar het Unidroit-verdrag mist terugwerkende kracht. De bepalingen in het verdrag gelden pas vanaf inwerkingtreding van het verdrag.

Er bestaat dus een groot gebrek aan algemene juridische normen. Intussen worden er wel claims gedaan door voormalige koloniën. Een bekend voorbeeld is de Benin Bronzes. Deze bronzen plaquettes werden rond het jaar 1500 gemaakt in opdracht van toenmalige koningen het huidige Nigeria. De plaquettes werden onder andere gebruikt om hiërarchie aan te geven binnen het rijk en de paleizen stonden vol met de bronzen beelden. Toen de Britten in 1897 Benin City innamen, werd er op grote schaal kunstroof gepleegd en belandden de bronzen beelden veelvuldig in Europese musea. Nigeria  is sinds 1997 bezig de geroofde kunst terug te krijgen.

Stapje voor stapje

Er wordt nu vanuit verschillende hoeken gewerkt aan aan eenduidig beleid. Zo probeerde Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen vorig jaar houvast te bieden door criteria op te stellen aan de hand waarvan een commissie beoordeelt of een object in aanmerking komt voor teruggave. Zo moet de kunst verkregen zijn onder dwang en tegen de wettelijke normen van die tijd in. De commissie beoordeelt ook of ­eisers een ‘onontbeerlijke’ culturele band hebben met de objecten die ze ­opeisen. Toch is er tot op heden geen enkele claim ingediend bij deze commissie.

Ook is er op 7 oktober dit jaar een advies van de Raad van Cultuur geschreven aan de minister van Cultuur. Een stap in de goede richting. De adviescommissie bepleit hierin een teruggavebeleid waarbij de regering de geroofde objecten onvoorwaardelijk moet teruggeven. Op deze manier moet erkenning komen voor aangedaan onrecht. Het advies richt zich op de ex-koloniën Indonesië, Suriname en Caribisch gebied. Een mooie start, maar het Afrikaanse continent valt tussen wal en schip. Er heeft veel (VOC-)handel plaatsgevonden tussen Nederland en Afrikaanse landen, zonder dat Nederland de bezetter was van het land waar zij de kunstobjecten van meenamen. Wat er gebeurt tussen België en Congo of bijvoorbeeld Duitsland en Namibië, moeten die landen onderling moeten uitzoeken. Een richtlijn op Europees niveau zou wellicht doeltreffender zijn.

Een derde, veelvoorkomende oplossing is de kunst niet langer al bezit te classificeren maar als bruikleen. Er wordt dan erkend dat de eiser een eigendomsrecht heeft maar men komt overeen dat het object geëxposeerd blijft in het land waar het nu tentoongesteld en onderhouden wordt. Wie de objecten onderhoudt, prevaleert dan boven de vraag wie de objecten bezit. Bovendien is dit een oplossing die werkt voor landen waar bijvoorbeeld nog geen museum staat om de kunstwerken in te bewaren en beschermen.

‘Niet wij, maar de musea moeten voor de rechter verschijnen’, zegt de Congolees die het beeld meenam uit het Afrikamuseum in een interview met NRC. ‘Je vraagt een dief niet om toestemming om terug te nemen wat hij heeft gestolen.’

Al met al lijkt het teruggeven van een gestolen cultureel erfgoed inderdaad eerder op een liefdadigheid door het Westen dan op herstel van aangedaan onrecht. Musea nemen een passieve houding aan ten aanzien van de beroofde landen. Wil je je kunst terug? Dan zal je zelf moeten bewijzen dat de kunstobjecten voldoen aan de door Europese instanties opgestelde criteria daarvoor. Tot die tijd kunnen ze met studentenkorting in onze musea worden aanschouwd.