Notice: Constant WP_DEBUG already defined in /www/wp-config.php on line 93 Het gevaar van de verruimde sluitingsbevoegdheid van drugspanden – Nota Bene
Het gevaar van de verruimde sluitingsbevoegdheid van drugspanden

Het gevaar van de verruimde sluitingsbevoegdheid van drugspanden

Op 19 augustus 2017 is voorgesteld om art. 13b van de Opiumwet te verruimen.[1] De burgemeester heeft op basis van dit artikel een bevoegdheid om woningen te sluiten. De uitbreiding van de bevoegdheid is per 1 januari 2019 in werking getreden. Onder art. 13b Opiumwet Oud was het slechts mogelijk panden te sluiten als er drugs aanwezig waren in het pand, maar in het kader van aanpak van ondermijnende criminaliteit is deze bevoegdheid verruimd. Bij de wijziging is ingevoerd dat de burgemeester ook bevoegd is een pand te sluiten als er voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zo volgt uit de verwijzing van lid 1 sub b waarin verwezen wordt naar art. 10a en 11b van de Opiumwet (hierna: Opw).  Dit betekent een aanzienlijke verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester. Het is echter onduidelijk wanneer sprake is van voldoende voorwerpen of stoffen in een pand die daadwerkelijk bestemd zijn om drugs mee te maken. Het sluiten van een woning heeft grote gevolgen voor het privéleven van het individu, hij kan opeens zijn huis niet meer in, wordt op deze manier de lat om deze inbreuk te maken te laag gelegd? In dit artikel zal nader worden bekeken wat ten grondslag ligt aan de verruiming van art. 13b Opiumwet en welke gevaren er mogelijk kunnen spelen.

In de Memorie van Toelichting bij art. 13b Opw wordt aangegeven dat drugshandel een ondermijnend en potentieel ontwrichtend effect heeft op de samenleving door de verwevenheid van onder- en bovenwereld, corruptie en de innesteling in lokale gemeenschappen en maatschappelijke sectoren.[2] Met dit in het achterhoofd worden verschillende redenen gegeven om de bevoegdheid te verruimen. Zo is het in de eerste plaats van belang een plaats te sluiten omdat er sprake is van een situatie die schadelijk is voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Er is een in- en uitloop van dealers, gebruikers en andere illegale activiteiten gerelateerd aan drugshandel en verder is het van belang de lokale veiligheid te waarborgen in het geval een pand wordt overvallen door andere criminelen.[3] Door een pand te sluiten wordt een ‘barrière opgeworpen’[4] waarmee het criminele ondernemingsproces verstoord wordt. Tot slot wordt genoemd dat men kritischer wordt bij het verhuren van een pand.[5]

Salet, Terpstra en de Jong schrijven over de effectiviteit van de aanpak van ondermijning en in het bijzonder uitbreiden van verschillende bevoegdheden.[6] Er is volgens hen een risico dat de bevoegdheden voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor ze in het leven zijn geroepen.[7] Het doel bij het sluiten van een drugspand is nu bijvoorbeeld de openbare orde beschermen, maar nu wordt het doel ondermijnende criminaliteit tegengaan. Ten aanzien van de woningsluiting bevoegdheid overwegen de auteurs dat de bestuurlijke bevoegdheid is bedoeld als herstelsanctie en niet als leedtoevoeging, terwijl de bevoegdheid in de praktijk vaak een vergeldend of bestraffend karakter heeft.[8]

Bruijn, Vols en Brouwer behandelen in hun artikel de invloed van de ‘cultuur van controle’[9] bij de strijd tegen drugshandel en hoe hierbij bestuursrecht gebruikt wordt. De sluitingsbevoegdheid van art. 13b Opw is bedoeld om tijdelijk te zijn, maar de consequenties van een sluiting zijn voor de burger niet per se tijdelijk. Het sluiten van de woning kan leiden tot fysieke en mentale gezondheidsproblemen, stress, het plaatsen van de huurder op een zwarte lijst en er is een mogelijkheid dat de bank in een keer de hypotheek van een bank afbetaald wil zien.[10] Omdat de sluitingsbevoegdheid via het bestuursrecht gaat, is er geen sprake van bescherming die verdachtes wel kennen in het strafrecht.[11] Er is dus een gevaar dat de individuele rechten en vrijheden geschonden worden. Het EHRM heeft ten aanzien van het risico van het verliezen van een huis als volgt overwogen: ieder persoon moet ‘in staat zijn om door een onafhankelijke rechter een beslissing te krijgen die proportioneel is en redelijk in het licht van de principes die horen bij art. 8 EVRM.’[12]

​               Onder art. 8 EVRM valt volgens het EHRM het recht om iemands huis te respecteren.[13] Er is sprake van een inbreuk in het geval iemand gedwongen weg moet uit zijn huis en niet meer terug mag.[14] Lidstaten hebben wel een grote margin of appreciation, er is veel ruimte voor de lidstaten om zelf te oordelen of het recht al dan niet geschonden mag worden.[15]

Volgens Bruijn en Brouwer is het achterhalen van de precieze reikwijdte van deze uitbreiding een labyrint: burgers zullen verdwalen in alle rechtsartikelen die ze moeten doorlopen om zicht te krijgen op het toepassingsbereik van deze bevoegdheid.[16] Daarnaast is het uitoefenen van bestuursdwang en het sluiten van de woning een beperking van het recht op een privéleven in de zin van art. 8 EVRM. Volgens het EHRM is ‘een sluiting van een woning de meest extreme beperking van de eerbiediging van iemands woning en privéleven.’[17] Art. 13b Opw wordt aan art. 8 EVRM getoetst. Er zijn vooral problemen ten aanzien van de voorzienbaarheid die van belang is bij de toetsing aan het EVRM, omdat het voor de lezer niet makkelijk is bij de juiste bepalingen te komen in de wet.[18] Ook zien zij problemen met de noodzakelijkheidstoets. Bij de eerste overtreding, gering deze dan ook is, volgt sluiting. Dit maakt het lastig om de sluiting ook echt noodzakelijk te achten.[19]

Naar mijn mening lijkt me het grootste bezwaar de voorzienbaarheid. Vanaf art. 13b Opw word je geleid naar een ander artikel en vervolgens een ministeriële regeling of naar andere artikelen in de Opiumwet. Voor juristen zal dit geen bezwaar zijn, maar bij de gewone burger kan ik me voorstellen dat het ingewikkeld wordt. Ook lijkt het me problematisch dat het oorspronkelijke doel van de bevoegdheid zoals genoemd in de MvT niet meer op de voorgrond komt te staan, maar dat de bevoegdheid gebruikt wordt om ondermijnende criminaliteit aan te pakken. Hoe onze hoogste rechter hierover oordeelt moeten we nog maar afwachten. Of deze bevoegdheid de toets van art. 8 EVRM doorstaat, valt nog te bezien.

Literatuurlijst
Artikelen
Bruijn en Brouwer NJB 2019
M. Bruijn en J. Brouwer, Verruiming Wet Damocles, Op zoek naar de betekenis in het labyrint dat Opiumwet heet, NJB 2019/767.
Bruijn, Vols en Brouwer IJDP 2018
M. Bruijn, M. Vols en J. Brouwer, Home closure as a weapon in the Dutch war on drugs, does judicial review function as a safety net, IJDP 2018, afl. 51, p. 137 – 147.
Salet, Renze en de Jong NJB 2019
R. Salet, J. Terpstra en R. de Jong, De aanpak van ‘ondermijning’, Vragen en kanttekeningen, NJB 2019/1372
Tuk en Vols, NJB 2019
M. Tuk en M. Vols, ‘Ondermijning en het openbare-orderecht’, NJB 2019/1190.

EHRM
EHRM 13 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0513JUD001900904 (McCan v UK)
Guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights Right to respect for private and family life, home and correspondence 31 August 2019 (Online publiek).

Onderzoeken
Lam, van der Wal en Kop 2018
J. Lam, R. van der Wal en N. Kop, Sluipend gif, een onderzoek naar ondermijnende criminaliteit Boom: criminologie (online publiek).
Tops en Tromp 2019
P. Tops en J. Tromp, De Achterkant van Amsterdam, Een verkenning van drugsgerelateerde criminaliteit (online publiek).

Tijdschriftartikelen
NRC, In Amsterdam was de strijd tegen drugs lange tijd taboe, 14 november 2019, https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/14/in-amsterdam-was-strijd-tegen-drugs-taboe-a3980444#/handelsblad/2019/11/15/#101.
Wetsgeschiedenis
Commentaar bij art. 13b Opiumwet (online publiek).
Kamerstukken 2016-2017, 34763 nr. 3 (online publiek).
Memorie van Toelichting 2016-2017, 34763 nr. 3 (online publiek).


[1] Kamerstukken 2016-2017, 34763 nr. 3.
[2] MvT 2016-2017, 34763 nr. 3.
[3] Idem.
[4] Idem.
[5] Idem.
[6] Renze, Salet en de Jong, p. 3.
[7] Idem, p. 4.
[8] Idem, p. 5.
[9] Bruijn, Vols en Brouwer, p. 138.
[10] Idem, p. 138.
[11] Idem, p. 139.
[12] Idem, p. 139.
[13] Guide on art. 8 EVRM.
[14] Idem, p. 75.
[15] Idem, p. 76.
[16] Bruijn en Brouwer, p. 1.
[17] Idem, p. 4.
[18] Idem, p. 4.
[19] Idem. p. 4.

Doe mee aan de discussie