Notice: Constant WP_DEBUG already defined in /www/wp-config.php on line 93 De verruiming van het juridische begrip ‘ezel’ – Nota Bene
De verruiming van het juridische begrip ‘ezel’

De verruiming van het juridische begrip ‘ezel’

Hier volgt een korte uiteenzetting over een achterhaald en al uitgekauwd onderwerp, dat vandaag de dag niet meer van belang is en hoogstwaarschijnlijk voor de langst voorstelbare tijd niet meer van belang zal zijn. Toch vraag ik de aandacht van studenten en van geïnteresseerde voorbijgangers, omdat stof die ooit tot nadenken heeft aangezet de potentie heeft om dat ooit nogmaals te doen. Vooral voor mij en voor u, studenten, de generatie die voor alles altijd maar te laat geboren is: echte platen, echte auto’s en echte literatuur. 

Normaal gesproken bespreekt de jurist het hoognodige van een zaak: het arrest van de Hoge Raad. Maar nu juist de einduitspraak door haar huidige trivialitieit aan sensatiezucht heeft ingeboet, is het voorspel tussen de gerechtelijke instanties, het Openbaar Ministerie (OM) en de verdachte van groter belang.

In eerste aanleg
Gerard Reve (G.), de held van deze geschiedenis en schrijver van beroep, heeft ons allen ooit weten te bevrijden van de Goddelijke ketting die op straffe van Diens lastering strakker aan kon worden getrokken: het inmiddels vervallen art. 147 Sr. (smalende Godslastering). In het jaar van zijn intreden in de Rooms-Katholieke kerk, 1966, wordt Reve vervolgd voor de volgende twee passages, die naar zijn en mijn eigen zeggen tot twee van zijn beste werken kunnen worden gerekend:

  1. ‘Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen geeft, zal Hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.’
  2. ‘En God zelf zou bij mij langskomen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen:

“Gerard, dat boek van je — weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?”

“Mijn Heer en mijn God Geloofd weze Uw naam tot in alle Eeuwigheid Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een presenteksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden — niet dat gierige en benauwde — met de opdracht: ‘Voor de Oneindigde zonder woorden’.

G. wil oorspronkelijk zelf de verdediging voeren, maar laat zich van dit idee afbrengen door zijn uitgever G.A. van Oorschot, die hem in plaats daarvan een advocaat uit Amsterdam aanpraat. Deze advocaat brengt G. uiteindelijk een bedrag van 4.685,- gulden in rekening voor een op schrift gestelde maar nooit uitgesproken verdediging, die hij achteraf nooit aan G. heeft gestuurd en die zich bij de behandeling in hoger beroep niet bij de stukken bevindt. Wel heeft G., zij het nog voorzichtig, zijn gedachten kunnen uiten in zijn Slotwoord voor de Rechtbank. 

Hij stelt dat het in deze zaak helemaal niet gaat over de vraag of de voorstelling van een incarnatie Gods als homoseksueel zoogdier als verwerpelijk beschouwd zou moeten worden, maar om niets meer dan godsdiensttwist. Het is volgens hem niet aan de rechtbank om het ene Godsbeeld tegenover het andere te verdedigen. Hoe godslasterlijk is het immers voor de Joden denkende aan de Nazarener timmerman die pretendeert de Messias te zijn? Of de opvatting dat zij, de Joden, niets meer zijn dan de moordenaars van God? Hoe godslasterlijk zijn christelijke geschriften waarin Boeddha doodleuk als de Satan en de boeddhisten als diens volgelingen worden gekwalificeerd? Wat zou er gebeuren als de betrokkenen hiervoor dag in dag uit naar de rechter zouden kunnen lopen? ‘Zou deze rechtbank, Edelachtbaar College, door zijn vonnis de onverdraagzaamheid van het gepeupel moeten legaliseren? Ik meen dit te moeten betwijfelen.’ 

Toen een groep voorbijgaande kinderen hem vragen stelde over het Boeddhabeeld in de tuin van zijn landgoed in Greonterp gaf hij hun als antwoord: ‘Dat is Jezus Christus, maar dan voor Azië. Hij is niet verwekt door de Heilige Geest, maar door een witte olifant, die driemaal om het bed van de moeder van Boeddha heenliep, en daarna in haar zijde werd opgenomen.’ ‘Dat kan toch helemaal niet,’ merkte het pienterste kind op, waarop hij antwoordde: ‘Nee, maar wat jij op catechesatie leert, dat kan wel.’ En met zijn altijd ondubbelzinnig provocerende verzuchting eindigt hij: ‘Of God een Lam is met bloedig doorboorde poten dan wel een eenjarige, muisgrijze Ezel, die zich door mij driemaal achtereen langdurig in zijn Geheime Opening laat bezitten, welk verschil vermag het uit te maken, zolang Hij de zonden der wereld wegneemt, en zich ontfermt over ons allen.’

Het inmiddels vervallen art. 147 Sr. luidde in zijn eerste sub als volgt:

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:

1°. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat.

De twee relevante bestanddelen die de Rechtbank onderzoekt: Godslastering op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze en smaling.

Godslastering
Artikel 147 Sr. is oorspronkelijk geschreven om de ‘dienaar van God’ te beschermen in zijn of haar geoorloofde waarneming van zijn bediening. Daarom is het in eerste instantie niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank te Amsterdam bekijkt of voornoemde passages als Godslastering in wettelijke zin kunnen worden gekwalificeerd op basis van de gevoelens van de gelovige en niet die van de schrijver. Er is aldus sprake van Godslastering, zo redeneert de Rechtbank, omdat de door G. opgeroepen beelden sterk afwijken van het naar algemene bekendheid en ook volgens de gehoorde deskundigen aanvaarde Godsbeeld en seks met een dergelijke God de harten van gelovigen krenkt. 

Smaling (honend; bespottend)
Bij de beoordeling van het tweede bestanddeel gaat de rechtbank ervanuit dat de uitlating smalend is als er aan haar vormgeving geen andere dan een honende strekking kan worden toegekend. Hoewel G. zich wel degelijk provocerend heeft uitgelaten, zo redeneert de rechtbank, verklaart zij het bestanddeel smaling niet bewezen, omdat zijn uitlatingen niet van puur en alleen bespottende strekking zijn. En dan, tegen alle verwachtingen in, weet de rechtbank ons in droge en archaïsche taal toch nog ongelooflijk te boeien met een grove beginnersfout: de verwarring tussen ontslag van alle rechtsvervolging en vrijspraak. Na haar oordeel om het bestanddeel smaling niet bewezen te verklaren, ontslaat de Amsterdamse Rechtbank G. van alle rechtsvervolging! Ja, studentikoze juristen, voor zover de juridische wereld zich enige vorm van humor heeft eigen gemaakt, valt u daar toch van uw stoel van het lachen?

In tweede aanleg
Beide partijen gaan in hoger beroep. Het OM met het doel het bestanddeel smaling alsnog bewezen te verklaren en aldus G. schuldig te verklaren; de verdachte omdat hij van mening is dat de redenering van de rechtbank niet concludeert tot ontslag van alle rechtsvervolging maar tot vrijspraak en, veel belangrijker, het hem diep raakt dat het vonnis de kern van de beschuldiging – Godslastering – bewezen verklaart. Na het kostbare falen van zijn advocaat uit Amsterdam, voert G. ditmaal de verdediging zelf.  

Hij opent zijn ‘Pleitrede Voor Het Hof’ met zijn verontwaardiging over de manier waarop de zaak in de rechtbank te Amsterdam is afgedaan. Het duidelijke afgrijzen, waarmee een lid van de rechtbank hem vroeg of hij het aan God toedichten van seksualiteit iets gewoons en fatsoenlijks vond; de vraag van de president aan de getuigen-deskundigen of zij een werkelijke, tastbare paring van een mens met een echt dier al dan niet moreel verwerpelijk achtten, terwijl van zulk een paring in zijn boeken geen sprake is en hij daartoe nooit het verlangen zou hebben. Volgens hem zou de vraag moeten luiden: “Acht U het door verdachte in geschrifte uiten van de in de dagvaarding onderstreepte teksten, waarin verdachte een religieuze voorstelling ontvouwt, waarin hij seksuele intimiteit heeft met een als Ezel geïncarneerde Godheid, smalende godslastering op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze in de zin der Wet?” Hij staat immers niet terecht voor seksueel verkeer met een dier, maar voor het publiceren van twee teksten waarin zijn Godheid als dier geïncarneerd een seksuele rol vervult. Waarom hebben de leden van de rechtbank hem nooit vragen gesteld als, en ik citeer onze schrijver G. “Wat betekenen die teksten volgens U precies?” “Welke functie kent U ze toe?” “Welk literair dan wel buiten-literair effect poogt u ermede te bereiken?” “In welke verhouding staan zij tot het geheel van Uw werk?” “Vertolken deze teksten een concrete, lichamelijke begeerte, of zijn het misschien uitingen van een speelse zucht naar bizarriteit?” “Hebt U in deze teksten, naar Uw eigen oordeel, religieuze gevoelens serieus verwoord, of hebt U in de eerste plaats zulke gevoelens willen relativeren of bespotten?”

Vervolgens stelt G. het als noodzakelijk om zijn Godsbegrip uiteen te zetten. Voor hem zijn God en Zijn schepping Een, ‘want niet alleen wij mensen, maar al het bestaande is naar Zijn Beeld geschapen.’ En zo redenerend, stelt hij het Hof de vraag: ‘Met welk recht toch zouden wij God attributen van ons bestaan, als liefdesverlangens, eenzaamheid, angst en lijden, bij voorbaat mogen ontzeggen?’ Daarnaast stelt hij dat, zoals de rechtbank in haar vragen doet vermoeden, seksueel verkeer met een godheid helemaal niet ‘moreel verwerpelijk’ is, maar juist heel gewoon in de godsdienstgeschiedenis: de Heilige Maagd Maria wordt immers zwanger door God in de persoon van de heilige Geest. En zelfs seksuele toenadering van een als dier geïncarneerde Godheid tot een mens is niets nieuws: Zeus, die als zwaan Leda overweldigt, die als stier Europa schaakt, en die, als arend, de beeldschone jongeling Ganymedes rooft. ‘De Godheid, Edelgrootachtbaar College, is van oudsher niet kieskeurig, maar “lust van het hele varken”.’

Hij roept het Hof op om zowel smaling als godslastering niet bewezen te verklaren, hem vrij te spreken en zo de jurisprudentie te scheppen, dat geen schrijver ooit nog zijn teksten hoeft aan te passen aan het begripsvermogen van slechte verstaanders. 

Het Hof te Amsterdam zwicht en spreekt het recht, een jaar later door de Hoge Raad bekrachtigd, waar velen van ons, toch vooral kunstenaars met veel vreugde, zij het niet juridisch met gevaar voor eigen leven, een beroep op doen. 

Indien het herkauwen van deze stof aan het einde van mijn gedachtegang over de held van mijn geschiedenis, meneer Gerard Reve, schrijver van beroep, de student en de toevallige voorbijganger niet opnieuw tot nadenken heeft aangezet, laat ik het dan in het kort als volgt samenvatten: zorg dat u de theorie van het recht beheerst en het verschil kent tussen ontslag van alle rechtsvervolging en vrijspraak, zorg dat u uzelf niet laat afleiden door huidige heersende begrippen van de kwestie, maar dat u altijd zelf blijft kijken naar de intentie en de noodzakelijke vrijheid van de kunstenaar, met het doel nooit te verworden tot de slechte verstaander die uiteindelijk, tot op de dag van vandaag, nog altijd aan de grondslag ligt van de meeste conflicten.

Bronnenlijst

NJ 1966, 450: Rb. Amsterdam, 03-11-1966

NJ 1968, 373: HR, 02-04-1968

Gerard Reve, Slotwoord Voor De Rechtbank

Gerard Reve, Pleitrede Voor Het Hof